creaties

Ontmoeting met componisten Fulco Ottervanger en Joris Blanckaert

 

Symfonieorkest Vlaanderen? Dat klinkt als “gevestigd”, of “degelijk”. Even vaak echter staan we voor “innovatief” en “verrassend”. Met componisten Fulco Ottervanger (°1984) en Joris Blanckaert (°1976) – beiden Gentse rakkers opgeleid door Frank Nuyts – rijven we alvast goed en jong volk binnen. Op vraag van ons orkest schrijven de heren elk nieuw werk opgehangen aan het seizoensthema ‘The Waste Land’. Zo formuleert Fulco in november met The Isle of Life een antwoord op het Dodeneiland van Rachmaninov. Zijn vaste trio De Beren Gieren brengt daarbij extra ‘leven’ op het podium. Joris Blanckaert neemt het publiek mee in een muziekvoorstelling die het moment net voor de ramp exploreert.

 

Ottervanger is gepokt en gemazeld in alles wat naar muziek ruikt; Blanckaert rolde later ook de jazz-scène binnen maar genoot initieel een opleiding tot burgerlijk ingenieur. Fulco vertrekt vanuit het mooie en zoekt vervolgens naar weerhaakjes; Joris delft naar schoonheid in een kader van duisternis. Of Ottervanger misschien blind is voor de vaak barre wereld rond zich? “Ik denk niet dat ik de voeling met de realiteit verlies. Ik ervaar mijn leefwereld evenwel niet als donker. Ik put mijn inspiratie uit een toevallige ontmoeting, impressies van een stad, een sfeer of gevoel, maar evengoed uit een recente lezing van Geert Mak rond de vluchtelingenproblematiek.” Zijn gespreksgenoot streeft veel duidelijker een zeker activisme na en probeert zijn publiek de nodige reflectie te ontlokken. “Scheefgetrokken situaties vormen mijn uitgangspunt. Compositorische verworvenheden als ritme, harmonie en melodie laat ik los tijdens mijn zoektocht naar schoonheid. Ik streef naar een organische klankmassa die ik kan kneden en tot leven wek.”

 

Ondanks deze tegenovergestelde vertrekpunten liggen de muzikale personae en hun muziek verrassend dicht bij elkaar. Twee eclectische componisten die plukken uit klassiek, jazz en pop waar het hen uitkomt. Hoewel Fulco zich veeleer een uitvoerder dan een componist acht, schept hij muziek die een weerspiegeling vormt van wie hij is. “Ik hou van herkenbare, catchy fragmenten die goed in het oor liggen. Toch daag ik de toehoorder ook uit met expressieve dynamiek, zenuwslopende ritmes of experimentele overgangen.” Geen wonder dat hij in De Morgen ooit omschreven werd als “een hyperkinetische kerel met pirouettes in de vingers en in het hoofd”. De tijd is gelukkig lief voor Fulco: “Hoe ouder ik word, hoe meer ik erin slaag om rust te vinden en bepaalde ideeën te laten rijpen.” Blanckaert ziet een grote verantwoordelijkheid weggelegd voor uitvoerders en toehoorders van zijn muziek. “Eens de partituur van een werk klaar is, laat ik het werk los. Ik sta erop muzikanten en publiek de ruimte te geven om mee te creëren. Een compositie is voor mij nooit compleet zonder het uitlokken van interactie, contrast of reflectie.”


Van een man opgeleid als exacte wetenschapper, een componist die uit is op reflectie, verwacht je bijna automatisch een bedachtzaam en beredeneerd creatieproces. En toch, Blanckaert voelt steeds die angst, ondanks de vele ervaring. “Ik heb de vaak verlammende overtuiging dat mijn compositie vandaag steeds beter moet zijn dan gisteren en dat een volgende opdracht mogelijks een sluitstuk van mijn carrière moet zijn.” Vanuit die angst doet hij vaak eindeloos lang aan research. Hij noemt het “verdwalen in kennis” of “eeuwig uitstelgedrag”, om toch maar niet tot componeren te moeten overgaan. Tot paniek hem dwingt tot bepaalde beslissingen en de lijdensweg minder lang blijkt dan gedacht. “Uiteindelijk bereik je dat magische moment waarop de puzzelstukken in elkaar vallen.” Als uitvoerder van zijn eigen muziek doorloopt Fulco een ander compositieproces “Een nummer ontstaat vanuit een melodie of een tekst die ik schrijf. Door deze te confronteren met de input van de andere leden van de groep ontstaan sterke nummers. Het moeilijkste aspect aan componeren is voor mij keuzes maken. Moeilijk, maar essentieel: eens de keuze is gemaakt, kan alles weer verder stromen. Ik laat daarnaast ook openheid voor improvisatie. Bij De Beren Gieren zijn we dat gewoon, benieuwd of ook orkestmusici deze uitdaging aangaan.”