Uit het niets naar het niets

“Ik moest de muziek uit de stilte en de leegte trekken.” Met die woorden omschreef Arvo Pärt aan het begin van de jaren zeventig zijn terugkeer na meer dan tien jaar van compositorisch stilzwijgen. Pas door zich onder te dompelen in de stilte, konden nieuwe klanken ontstaan.

- Annemarie Peeters

Ik probeer het me voor te stellen. Niets en dan plots iets. Als een druppel die in het water valt. Of een woord dat op wit papier landt. Klanken die nog genoeglijk tegen de stilte aanschurken, zich er ternauwernood van hebben losgescheurd. In Silouan’s Song lijken die pasgeboren klanken te resoneren met de grote leegte rondom de Griekse berg Athos. Pärt baseerde het stuk op een tekst van de Russische monnik Staretz Silouan (1866–1938), die in het St.Panteleimon-klooster op de berg verbleef. Een asceet, die van het ‘niets’ zijn hoogste doel maakte. Pärt vond er een broederziel in. Ook voor Adam’s Lament ging Pärt bij Silouans teksten te rade. De Adam die Pärt uit deze teksten boetseerde staat symbool voor ons allemaal, lees ik. Voor onze onmacht, onze wanhoop: de tragedie die de mensheid is. Wie denkt dat Pärt alleen maar slaapmuziekjes schreef komt bedrogen uit. Pärt dondert. Ik schrik. De breekbare stilte van daarnet is ver weg. Middenin het leven staat dit stuk. Het neemt je op sleeptouw, het schudt je door elkaar. Donkere wolken pakken zich samen.

Er is iets dat me afleidt, moet ik bekennen. Terwijl ik aan deze tekst werk, valt mijn oog telkens opnieuw op een mailbericht dat ik met een rood vlaggetje heb gemarkeerd. ‘Afscheid van W.’ staat er in de onderwerpregel. W. is het zieke zoontje van de juf van mijn dochter. Sinds gisterenochtend leeft hij niet meer. De klas praat vandaag over wat dat is, ‘dood zijn’. Ik zet Pärt uit en schakel over op Fauré. Ik
luister naar zijn Requiem, terwijl mijn gedachten rusteloos rond het verdriet van de juf cirkelen.

Ik heb hem altijd graag gehad: Fauré, die zijn hele leven lang kerkorganist was, maar God al bij al wat overroepen vond. Fauré, die zijn hele leven lang begrafenismissen begeleidde, maar de donkere tonen
in al die requiems er eigenlijk een beetje ‘over’ vond. Afscheid mocht wat hem betreft helemaal anders klinken. Mild, mededogend, teder. Als een moment van verlossing. Als een voorafje op het geluk dat ons daarboven te wachten staat. Hij schreef een requiem zonder traditioneel Dies Irae: zonder doem en zonder angst. Zonder Lacrymosa ook: zonder tranenvloed, zonder bandeloos verdriet. Zijn Messe de Requiem klinkt als een zacht wiegenlied voor de dood.

Ik laat me wiegen. Door het golvende Gregoriaans in het Introït en het Kyrië. De perfect uitgebalanceerde harmonieën. De warme strijkers die de zanglijnen dragen. Zonder te stuwen, zonder te drukken. In het Offertorium komt de hel weliswaar ter sprake, maar dan wel zo rustig en vredevol dat je er nauwelijks geloof aan kan hechten. De stemmen kabbelen als water in een bergmeer op een windstille ochtend. En dan die wonderlijke openingsmaten van het Pie Jesu: zo puur en zuiver. Zo kinderlijk onschuldig. Ik slik. Opnieuw dwalen mijn gedachten af naar het bericht in mijn mailbox. Tijdens de verderlichte opening van het In  Paradisum hoor ik in mijn verbeelding kinderen knikkeren. Ik zie ze lichtvoetig over de speelplaats rennen, achter de verloren knikkers aan. Van ver. Zonder de onmiddellijkheid van hun stemmen, van hun uitgelaten gejoel. Steeds verder. Tot ze uit het zicht verdwijnen. Plots overvalt het me: hoe groots muziek kan zijn op de ankerpunten in het leven. Zelfs als ze klein en bescheiden lijkt. Ze biedt een vorm voor onze wroetende gedachten, een plek om in te landen. Daar, in die argeloze, donzige arpeggio’s van het In Paradisum rusten voorlopig mijn gedachten aan het verdriet van de juf.

Soms vind ik het einde van een stuk nog mooier dan het begin ervan. De slotnoot, zeker bij de strijkers: hoe zij soms bijna onmerkbaar oplost in de lucht. Het ene moment ben je er zeker van dat je ze nog hoort, die slotnoot. Het andere moment lijkt ze er nooit te zijn geweest. Tussen die twee momenten zit een prachtige fractie van een seconde, waarin de klank er nog is en er tegelijk ook niet meer is. Zo stel ik me op weemoedige momenten het leven voor: begin en einde schuiven over elkaar heen, omringd door niets meer dan ‘niets’. Met de muziek van Pärt en Fauré als gids.

Honger naar meer artikels? 

Het driemaandelijkse magazine van Symfonieorkest Vlaanderen - Symfozine - brengt interviews met solisten en (gast)dirigenten, neemt je mee achter de schermen van het orkest en zorgt voor verdieping bij de concerten.

Dit artikel verscheen in Symfozine 92 (jan - maa 2022) en werd geschreven door Annemie Peeters.

Vraag je gratis exemplaar aan

Ook ons drukwerk ontvangen? Stuur je adres door naar info@symfonieorkest.be

Stuur ons een e-mail

Cookies

Wij maken gebruik van cookies. Een cookie is een klein bestandje dat door deze website met bepaalde pagina's wordt meegestuurd en door uw browser wordt opgeslagen. Wij gebruiken cookies onder andere om het gebruik van onze webshop voor tickets te faciliteren, om het mogelijk te maken content van derden af te beelden, zoals ook video’s, en voor verschillende andere toepassingen. Deze cookies worden ook geplaatst door derden. Door op ‘akkoord’ te klikken, stemt u hiermee in. Als u niet akkoord bent, kunt u via de knop ‘Instellingen aanpassen’ uw voorkeuren opgeven. Meer informatie…

  • Cookies zijn nodig om de website goed te laten functioneren. Zo wordt uw winkelmandje onthouden tijdens de bestelling en kunt u inloggen op de website.
  • Maar cookies zijn ook nodig om de ervaring op de website te verrijken. Bijvoorbeeld media van derde partijen, zoals video's, gaan vaak gepaard met cookies. Ook houden we statistieken bij om de site doorlopend te verbeteren.
  • Als laatste worden cookies ook gebruikt om informatie rond onze marketing-activiteiten, zoals nieuwsbrieven en advertenties, zo efficiënt en persoonlijk mogelijk uit te kunnen uitvoeren.

Cookie instellingen