Onze muziekgeschiedenis is een eindeloze cirkel van inspireren en geïnspireerd worden. Stemmen van componisten hervinden zich in het werk van anderen. Vernieuwende ritmes en ideeën ontkiemen, terwijl de muziekcarrousel onvermoeibaar blijft draaien. Maurice Ravel en Thomas Adès nemen plaats op twee houten paardjes van die draaimolen en blikken terug op de barok en François Couperin – een Fransman en tijdgenoot van Bach met een rijk palmares aan klavecimbelmuziek en theoretisch werk voor klavecinisten. Zijn unieke stijl, de zogenaamde Couperinsound, verzoent Franse danscharme met Italiaanse passie. In zijn intieme, lyrische muziek schuilt een verrassende helderheid en eenvoud onder de weelderige barok.
- Ray-Anne De Brandt
Ravels muziek legt de brug tussen oud en nieuw. Hij kleurde klassieke muziekvormen met vernieuwende melodieën en vrijere ritmes in en creëerde zo een harmonische, fantasierijke wereld. Fauré, Haydn en Borodin waren reeds in zijn composities geëerd toen hij tijdens die onstuimige Eerste Wereldoorlog Le Tombeau de Couperin componeerde. Niet zomaar een hommage aan Couperin, maar een eerbetoon aan de hele Franse barok. Het werk was aanvankelijk een zesdelige suite voor piano. Elk deel droeg hij dan op aan een vriend die ten prooi was gevallen aan de klauwen van de naargeestige oorlog – een liefdevol gebaar met een vleugje zoete heimwee. De opgewekte en luchtige deuntjes doen warmhartige herinneringen herleven. Couperins elegante, verfijnde stem, barokke dansvormen en Ravels rijke harmonieën en verrassende wendingen creëren een tijdloos klanklandschap dat een bepaalde sfeer of gevoel bij je oproept. Toen Ravel het stuk in 1919 orchestreerde, schrapte hij twee delen en nam hij vreemd genoeg de huldebrengingen aan zijn overleden vrienden niet over.
Het werk vat aan met de Prélude, een heuse tour de force voor de hobo, die in het steeds terugkerende hoofdmotief virtuoze zestiende noten speelt. Ook elders blijft een hoofdrol weggelegd voor de hobo. De Forlane is een dans in de maat 6/8 met veel modale invloeden, die de muziek soms oosters kleuren. Hier klinkt de invloed van Couperin het meeste door. Het Menuet straalt opperste lieflijkheid uit, maar bevat niettemin de eerste en enige fortissimo uit de eerste drie delen. Afsluiten doet Ravel met het Rigaudon, een levendige volksdans. De combinatie van dansen uit de barok en de 20e-eeuwse elementen, zoals wringende dissonanten en de orkestratie, maakt van dit werk een neoclassicistisch pareltje.
Couperins stempel zindert vooral na in Thomas Adès’ Three Studies from Couperin. Drie voor klavecimbel geschreven werken van Couperin ondergingen een volledige make-over. De hedendaagse componist rafelde de melodielijn uiteen om deze vervolgens op vernuftige wijze in elkaar te knutselen waarbij het origineel herkenbaar blijft. De melodielijn die aanvankelijk één klavecimbel verklankte, is nu verdeeld over het hele orkest en wordt onderling doorgegeven als een potje zakdoekleggen. Het resultaat? Een caleidoscoop van authentieke, inventieve en virtuoze indrukken die je wereld als luisteraar op zijn kop zetten. De contrasten in dynamiek en timbre maken van de muziek een levendig, modern verhaal. De werkwijze doet denken aan die van Ravel: klassieke muziektechnieken in een eigentijds jasje die tegelijk verwarren en verwonderen.
Het carrousel begint te draaien met Les Amusements, gehuld in een fluweelzachte klankwolk. De harde klavecimbelklanken ruilt Adès in voor delicate strijkers en koperblazers die de melodielijn als een innige dans doorgeven. Weelderige barokversieringen veegt hij van de partituur waardoor een minimalistische intimiteit ontluikt.
Muzikale ideeën springen in Les Tours de Passe-Passe eveneens heen en weer tussen de instrumenten, als een geniepige misleiding voor de oren – het orkest wordt warempel een goochelaar. Hier en daar springt een toon ertussenuit, als een streepje zonlicht door een gesloten wolkendek. Het stijlvolle raffinement met verrassingen schenkt aan de Couperinsound meer diepte en contrast.
De weemoedige ziel in L’Âme-en-peine verstoort de luchtige nevel van de vorige delen. Net zoals Couperin het waarschijnlijk gedaan zou hebben, spon Adès zeer precies en langzaam het ritme uit in dit emotioneel slotstuk. Dieptepunten en climaxen volgen elkaar als dreigende golven op; een overdonderende spanning is nakend. Die intense dynamiek kan een klavecimbel niet creëren, maar komt in het orkest volledig tot bloei in een melancholisch samenspel dat gevoel en verbeelding vooropstelt.
