De timing kan haast niet symbolischer. Precies op de dag van het afscheidsconcert van Kristiina Poska schuift de aankomende chef-dirigent Martijn Dendievel aan voor dit interview. Die datum is, voor alle duidelijkheid, geen moedwillige keuze. Het is allerminst de bedoeling om het spotlicht van zijn voorganger te willen kapen, maar gewoon een praktische noodzakelijkheid. Pendelend tussen Hilversum, het Duitse Hof en de Vlaamse heimat lukte afspreken met een veelgevraagd dirigent als Dendievel alleen in de uurtjes voor het concert in Antwerpen. Al komt hij binnenkort, terug van nooit echt weggeweest, weer thuis bij Symfonieorkest Vlaanderen.
Een interview door Jasper Croonen
Martijn Dendievel - “Voor mij voelt deze stap in ons parcours als de juiste. Zowel binnen mijn ontwikkeling als binnen de ontwikkeling van het orkest. Ik denk dat we op dezelfde manier aan het groeien zijn, waardoor ik het gevoel heb dat ik zeer effectief iets kan betekenen.”
Zeker effectiever dan bij grotere orkesten. Wat is de impact die een chef-dirigent daar kan hebben op de relatie met de stad, en met het publiek? Je mist er de binding en de regionale verankering. Het is een ander soort kunst, en ik voel me meer aangetrokken tot die directe invloed. Ik wil aanspreekbaar zijn.
Allebei. Al vind ik het vooral belangrijk dat ik er ben voor mijn musici en dat ik strijd voor hun belangen.
Als chef-dirigent ben je het gezicht en het uithangbord van een orkest, maar niet de stem. Een orkest blijft nog steeds een groep van (in ons geval) zestig musici, en voor dat pluralisme wil ik blijven strijden. Ik denk wel dat ik als chef in een positie zit waar ik ook mijn gewicht in de schaal kan werpen bij beleidskeuzes. Zeker als Vlaming aan het hoofd van een Vlaams orkest hoop ik daar harder op tafel te kunnen kloppen. Maar de allerbelangrijkste, maar ook de mooiste taak van een chef-dirigent blijft natuurlijk om op langere termijn de muzikale lijnen uit te zetten.
Ik heb heel bewust gekozen voor Felix Mendelssohn en Robert Schumann, om verder te bouwen op de Beethoven-cyclus van Kristiina en op de kwaliteiten die het orkest daarmee de voorbije jaren ontwikkeld heeft. Die twee schreven samen ook precies negen symfonieën, wat heel mooi te verdelen valt over mijn zes seizoenen. Daarnaast is het zaak om complementair repertoire te zoeken. Om ook uit dat hokje van de vroege romantiek te durven komen, en in te zetten op muziek van Vlaamse componisten – zowel hedendaags als reeds van ons heengegaan. In dat opzicht is mijn inauguratieprogramma in januari, met het Vioolconcerto in e van Mendelssohn, de Eerste Symfonie van Peter Tsjaikovski en de Derde Symfonie van Luc Brewaeys, een ideaal visitekaartje dat inzet op die drie pijlers.
Onterecht! Hij is een van mijn lievelingscomponisten. Net daarom ben ik ook zo gevoelig aan uitvoeringen van zijn muziek. Neem nu zijn Derde Symfonie, de Schotse. Ik haak meteen af als een dirigent dat werk begint als een zompig ding zonder richting. Als de strijkers daar met een vette vibratoklank spelen. Dat is niet hoe die muziek bedoeld is. Daarom zou ik ook met geen enkel ander orkest zo snel aan Mendelssohn willen beginnen, als met Symfonieorkest Vlaanderen. Omdat ik weet dat ook zij naar die transparante klankkleur toe willen werken.
Ik denk niet dat we die tijd moeten proberen te repliceren. Dan moeten we alle vrouwen uit het orkest zetten, dan mogen we geen tablets meer gebruiken en moeten we bij kaarslicht spelen. Historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk is een middel, geen doel. Het is een manier om zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke intentie van de componist te geraken. Dat betekent voor mij zelfs dat we, waar dat gepast is, mogen ingrijpen in de partituur. Mendelssohn laat bijvoorbeeld soms noten uit de melodie van een trompetpartij, maar dat is gewoon omdat de toenmalige instrumenten die noten niet konden spelen. Als we zo een stuk met moderne instrumenten spelen, voegen we die uiteraard toe.
Zeker! Ik denk dat het enorm belangrijk is om daarmee te blijven experimenteren. Die voorstelling was misschien niet het grootste kassasucces, maar er zaten wel vijftig mensen in de zaal die nog nooit eerder een klassiek concert hadden bijgewoond. Dan denk ik: missie geslaagd! Er liggen daar volgens mij nog volop mogelijkheden. Afterworkconcerten, bijvoorbeeld, met kinderopvang voor jonge ouders. Het gaat trouwens niet alleen om nieuwe formats, maar ook om de omkadering. Kunnen we publiek uit de randsteden beter bereiken door voor hen transport te organiseren? Ik denk dat ook dat vragen zijn waar we ons mee moeten bezighouden.
Ik besef hoe uitzonderlijk het is om als chef zo lang bij dezelfde mensen te blijven. Meestal blijft een dirigent ongeveer vier jaar, bij ons zijn dat meestal termijnen van zes jaar. Hoe lang het ook mag zijn, er zit sowieso een houdbaarheidsdatum op de relatie tussen orkesten en dirigenten. Dus het is een ontzettend fijn gevoel dat dat punt nog niet bereikt is, hoewel we elkaar al vele jaren kennen.
Volgens mij heeft Symfonieorkest Vlaanderen een unieke ingesteldheid. Bij de start van elk project hangt er steeds een positieve energie, omdat het orkest zich als een hechte groep vrienden ziet. Dat ik al zo lang deel mag uitmaken van die kliek en van hen de belangrijkste knepen van het vak geleerd heb, dat is van onschatbare waarde.
