Welke Vlaamse muziek ligt er nog allemaal op ons te wachten in bibliotheken en archieven? Een hele hoop, zo blijkt. Symfonieorkest Vlaanderen met chef-dirigent Martijn Dendievel en Jan Dewilde van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek slaan de komende seizoenen de handen in elkaar. Want wat onbekend is, hoeft niet onbekend – en dus ook niet onbemind – te blijven! Het seizoen van Symfonieorkest Vlaanderen opent dan ook met een ouverture van de Gentenaar Charles-Louis Hanssens. - Annemarie Peeters
Jan Dewilde: We beseften dat er eigenlijk enorm veel muziek is gecomponeerd door componisten die hier woonden en werkten, maar dat we die muziek totaal niet kenden. Daardoor werd er ook nauwelijks muziek van hier geprogrammeerd en uitgevoerd. Daar wilden we verandering in brengen.
Jan Dewilde: Het begint allemaal met het inventariseren van wat er is. Daarna gaan we die muziek bestuderen. En vervolgens maken we die partituren die wij boeiend vinden, gebruiksklaar, zodat muzikanten er effectief mee aan de slag kunnen. Dat is ons ultieme doel: Vlaamse muziek laten horen. We zijn onlangs ook gestart met een databank met historische concertprogramma’s. Het is heel boeiend om te bestuderen wat er effectief gespeeld werd op concerten in onze contreien. We hebben de neiging om te denken dat het Vlaamse muziekleven eerder ‘provinciaal’ was, maar het tegendeel is waar: het muziekleven hier was bijzonder rijk en internationaal georiënteerd. Daarnaast werken we ook samen met Antarctica Records aan een reeks opnames van Vlaamse muziek.
Jan Dewilde: Ook de achttiende- en twintigste-eeuwse muziek hoort bij onze missie. De renaissancemuziek uit Vlaanderen wordt vandaag tot in de Verenigde Staten bestudeerd en er zijn tal van ensembles wereldwijd die zich met dat repertoire bezighouden, dus dat zit goed. Wij proberen de ‘zwarte gaten’ tussen toen en vandaag te vullen.
Martijn Dendievel: In het verleden heeft dat altijd tot de missie van Symfonieorkest Vlaanderen behoord . Bij de laatste twee chef-dirigenten was dat wat minder duidelijk aanwezig en het leek ons mooi om die draad weer op te pikken. Er zijn wel degelijk werken die op hetzelfde niveau staan als het zogenaamde ‘ijzeren repertoire’. Denk bijvoorbeeld aan de Derde Symfonie van Joseph Ryelandt. Dat werk nam ik onlangs op met de Bamberger Symphoniker. Mét succes, die opname is ruim beluisterd en becommentarieerd. De vraag die dan altijd terugkomt is: waarom kennen we dit niet? Het is pas door muziek uit te voeren dat we ze effectief kunnen leren kennen. Ik zeg nu dat de Derde Symfonie volgens mij Ryelandts beste symfonie is, maar eigenlijk weet ik dat pas zeker als ik ook de Tweede Symfonie heb uitgevoerd. Je weet namelijk niet écht wat de kwaliteit is van een werk, voordat je het hebt gespeeld met levende muzikanten voor een levend publiek.
Jan Dewilde: Dat klopt. Zonder uitvoering sta je nergens. En vaak heeft een werk meerdere uitvoeringen nodig om echt tot het repertoire door te dringen. De eerste keer voelen de muzikanten zich misschien nog onwennig, of is het ‘een verplicht nummertje’ voor de dirigent – dat kan altijd. Het is pas als muziek op verschillende momenten, door verschillende uitvoerders aangepakt wordt, dat je een werk écht kan leren kennen.
Martijn Dendievel: We stelden ons als orkest ook de vraag: als wij deze muziek niet uitvoeren, wie gaat het dan doen? Als onze orkesten al Vlaamse muziek spelen, dan zijn het vaak dezelfde werken. Denk bijvoorbeeld aan de James Ensor Suite van Flor Alpaerts. Of het werk van Peter Benoit. Maar er is zoveel meer! Ik sta aan het begin van mijn carrière. Dat wil ook zeggen dat als ik nu boeiende werken ontdek, ik de kans krijg om die werken doorheen mijn carrière meermaals uit te voeren. Dat is een fantastisch gevoel.
Martijn Dendievel: Er is in elk geval minder trots mee gemoeid dan in andere landen. Kijk naar de Finnen die de muziek van Sibelius koesteren, of de Denen die de muziek van Nielsen echt beschouwen als een exportproduct. Zo is de kritische editie van de werken van Nielsen volledig beschikbaar op het internet. Dat wil zeggen dat iedereen, waar ook ter wereld, toegang heeft tot speelklare partituren van Nielsen. Dat is toch prachtig? De muziek van Stenhammar staat in Zweden zowat elke week op de concertagenda – terwijl die muziek echt niet beter of slechter is dan wat we hier in onze bibliotheken hebben liggen.
Jan Dewilde: Op zich is er de laatste jaren best wel wat beleid ontwikkeld naar muzikaal erfgoed toe. Men is tot het besef gekomen dat we dit erfgoed niet zomaar mogen laten verkommeren. Het beleid richt zich echter vooral op inventariseren en archiveren. Bij de volgende stap – de doorstroming naar het concertpodium – loopt het echter nog steeds vast. Waarom dat zo is, daar kan je waarschijnlijk een boek over schrijven (lacht), maar voor mij begint het bij de muziekopleidingen. Het is toch jammer dat je aan het conservatorium kan studeren zonder ooit de naam Charles-Louis Hanssens tegen te komen?
Jan Dewilde: Toen we samen met het orkest begonnen na te denken over welke Vlaamse muziek we zouden kunnen programmeren, dacht ik eigenlijk meteen aan Hanssens. Hij was erg internationaal georiënteerd, maar was tegelijk ook een echte Gentenaar die een heel belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het Gentse muziekleven. Omdat ook het orkest zijn thuis heeft in Gent leek me dat de perfecte match. Hanssens heeft hier in de vroege negentiende eeuw een volwassen muziekcultuur op poten gezet door orkesten op te richten en concerten te organiseren. Hij is ook de man die de muziek van Beethoven in België heeft geïntroduceerd. Hij heeft zowat al zijn werken gedirigeerd, zowel in Gent als in Brussel. Die invloed hoor je ook duidelijk in zijn muziek.
Martijn Dendievel: Bij mij was het ook die connectie met Beethoven die me onmiddellijk aantrok. Het manuscript van de ouverture is niet zo lang geleden in Nederland ontdekt, een echte uitgave is er op dit moment nog niet – die gaan we samen met het Studiecentrum tot stand brengen. Maar op YouTube kan je wel een digitale reconstructie van het werk beluisteren. Meteen bij de openingsmaten moest ik aan Beethovens Coriolanus Ouverture denken. Ik kijk er echt naar uit om met het orkest op zoek te gaan naar de geest van die tijd en ook echt te durven experimenteren met hoe we het gaan uitvoeren. Dat is het mooie aan werken met ongekend repertoire: alles is nog mogelijk.